klik > Home

klik > pers quotes

Literair debuut 'De Sterren van de Hemel'

 


Thé Lau debuteerde in 2000 met zijn verhalenbundel 'De Sterren van de Hemel' en toont zich in deze verhalenbundel een verteller van formaat. 'De Sterren van de Hemel' biedt een opmerkelijke staalkaart van zijn schrijverschap. Moeiteloos wisselt Lau van taalregister en atmosfeer, en steeds weer weet hij de lezer te verrassen met verhalen die ieder een eigen universum herbergen. Geheimzinnig, tastend, zoekend, ritmisch voelend maar altijd intrigerend, betrekt Thé Lau de lezer in de wereld van zijn eenlingen, mensen die buiten de boot, de groep of het gesprek vallen.

klik > uitgeverij Vassallucci

klik > pers quotes

 

In het kort:

In 'Stella' belandt een romantisch dichter met de liefde van zijn leven - letterlijk - in een zwart gat.

klik > fragment 'Stella'

'Magnus' wordt vertelt vanuit het perspectief van een 'vriend' van de popster Magnus, een luitenant met aspiraties om als monnik door het leven te gaan. Ondertussen scoort hij dope voor Magnus, slaapt met diens vrouw, past op diens kinderen en beticht hem van perversiteiten die hij zelf begaat.

In 'De Mongool' neemt in een café de hoofdpersoon - die aan het syndroom van Down lijdt - op poëtische wijze wraak op de dame die, tot vermaak van haar gezelschap, de draak met hem steekt.

In 'Charly Circus' wordt een leeuwentemmer verliefd op de dochter van de directeur van een klein familiecircus. Met fatale gevolgen.

In 'Sony San' volgen we een Dutchbatter die na een bepaalde gebeurtenis in oorlogsgebied zijn merkwaardig relaas op een band inspreekt.

En in 'Jazz' schetst Lau op empatische wijze het leven in een wijk in Amsterdam-West, waar artiesten en schippers in een café samenkomen.

 

Prijs f34,90 (BF 690), gebonden, 198 blz, bestellen > klik


Fragment uit 'Stella':

Van onder de tafel hoorde ik haar stem. Ik lag op haar jas en streek met mijn wijsvinger vederlicht over haar scheen. Het strakke nylon van haar kous ritselde electrisch onder mijn vingertop, ik streek erover als over de vouw in mijn flanellen doekje, in diepe concentratie. Ik schoof iets op en zag haar gebarende handen en haar armen, tot aan de elleboog ontbloot. Haar zilveren armbanden rinkelden zacht. De ringen om haar vingers glommen in het licht van de kaarsen op de tafel. Ik had die gezien en geprobeerd ze te tellen, voor moeder me maande te gaan liggen, liefst te gaan slapen.

Slapen kon ik niet: het was feest. Ik keek naar mijn moeder, van onder af, mijn handen kruislings over mijn heupen gevouwen. Ik keek naar haar borst, en herinnerde me de dag.

We waren naar zee geweest. Mijn moeder, een vriendin, haar dochtertje en ik. Wij, de kinderen, speelden in de branding. We schepten zand uit het water en probeerden hele kastelen te boetseren. Het meisje lachte, telkens als het mij mislukte. Maar af en toe fluisterden we onder elkaar; konden we om een ijsje vragen. Het ijsje was mijn obsessie, ik wist ook precies welk ijsje: een waterijsje met een sinaasappelsmaak, de naam ben ik nu kwijt. We besloten, vanuit ons kleuterparlement, dat we de vraag wel konden stellen, en we renden over het eerst harde, natte, dan droge rulle zand, dat aan onze voeten plakte, naar onze moeders. Het meisje trapte al rennend- wilde ze sneller zijn dan ik, vroeg ik me af- in een plakje teer, dat als een zwart teken aan haar voetzool bleef kleven. Ze lag voor, en ik versnelde. Zo renden we naar onze moeders toe.

Hun gestalte, al gebarend pratend met elkaar, groeide naarmate we hen, onze blote voeten tegengehouden door het losse zand, naderden, in hun donkere badpakken afstekend tegen het decor van de blonde duinen, bestoppeld met hun bleekgroene helm van gras. Toen we echt dichtbij gekomen waren, werd mijn blik plotseling vastgezogen aan het badpak van de moeder van mijn vriendinnetje. Mijn ogen beten zich vast in het kruis van haar badpak, van waaruit aan weerszijden kroezige haren ontsnapten, die over het begin van haar dijen krulden; haar benen, dat weet ik nu waren in een halve Lotushouding gevouwen, een wat slordige vorm daarvan, haar linkerbeen lag loom uitgestrekt in het zand. Ze was zich niet bewust van mijn starende blik, maar zeker ook niet van het ontsnappende schaamhaar. Het woord had ik nog nooit gehoord, laat staan, dat ik het begrepen zou hebben.

Maar ik was een kleuter met een missie. Toen voelde ik het al: ik moest iets ontdekken in de zin van dat er iets met een zeil bijvoorbeeld bedekt was, en dat ik het dek moest verwijderen. Om iets bloot te leggen. De handeling die, denk ik, elke mens veel angst inboezemt. Want, wat zal er tevoorschijn komen? Een wriemelende massa van natte, kleverige grijphandjes, als van andere wezens, monsters waarschijnlijk, happende krabbeklauwen, nu gelukkig dood en onschadelijk stil, stinkend op de pier? Een enkele grote klauw misschien, die je in een klap vermorzelt. Kaken, bezaaid met scherpe, fonkelende tanden, die naar je handen happen, als een Haai, of een Krokodil. Of, op het Vaste Land, een Leeuw, of een Zebra; o nee, een Tijger, die leeft in een onvoorstelbaar Groot Oerwoud. 'Oeroud', noemde ik het toen, hoorde ik later van mijn moeder. 'Oeroud in Onesië, waar de oerang oetans wonen. Die hebben scherpe tanden, mamma'.

Maar dan danste ik op de muziek van de Orang oetans, 'Sketches of Spain' van Miles Davis, de lievelingsmuziek van mijn moeder. Ik danste voor haar, met motorisch rammelende kleuterpassen.

Ze zit tegenover me, mijn moeder, in een rolstoel, nog steeds gekleed in antracietgrijs. Haar hand, fragiel, bleekblauw dooraderd, tast naar haar keel. 'Het kropgezwel', wordt het door kwaaddenkende, burgelijke familieleden genoemd.

'Ik mag niet teveel praten', zegt ze hees. 'Maar ik doe het toch', voegt ze er fel aan toe. Dan kijkt ze me aan. 'Kijk me in de ogen' zegt ze, dwingend. 'Kijk naar me'. Ik kijk haar in de ogen, die waterig zijn, maar in het midden een felle pupil dragen, als een gifkikker op een slap blad, drijvend op het water van een diepe, donkere vijver. Strijdvaardig. Gitzwart, temidden van waterig blauw. Gewend nu om naar het verleden te kijken, dat als een oude plant voortdurend bedruppeld moet worden, of is het de blik. Het doet er niet meer toe.

'Moeder', zeg ik, 'wat'...Ze onderbreekt me, bruusk, terwijl ze naar buiten kijkt; van opzij gezien lijkt haar blik nog feller. Het licht doorschijnt haar dunne grijze haar, en fonkelt op de ketting om haar hals. Als ze gebaart, zie ik dat haar nagels vaal glimmen. 'Vrouwen zakken af, onthoud dat goed. Lichamelijk. Het is niet anders. Mannen zijn gelukzalige luiaards. Zonder ons zijn ze niet veel waard'.

Plotseling beginnen haar handen te trillen.'Wie ben je eigenlijk, jongen', zegt ze, opeens vermoeid. Haar kleding zelf lijkt in te zakken. Ik pak haar hand; die voelt zo broos aan, in mijn mannenhanden, dat ik eerst schrik, maar dan zachtjes begin te strelen.'Ik ben het, moeder', zeg ik. Ze lijkt iets van herkenning te ervaren -haar hand grijpt opnieuw, maar teder, niet hard, naar haar keel.'Ben jij het, jongen', zegt ze. nu heel schor, maar ik hoor de warme herkenning.

De bejaarden, denk ik. De 'oudjes', zoals ze ook wel genoemd worden. Die overleven in de asbak van de samenleving. Ik streel de handen van mijn moeder, en haar schouder waaronder ik de pluizen vulling voel als iets van vroeger; daarna laat ik haar over, halfhartig, schuldbewust maar in vertrouwen, aan toegewijde, bescheiden mensen, jonge vrouwen, die mijn streling overnemen, ik heb ze dat zien doen, ik heb hun oogopslag gezien, terwijl ze de oudjes streelden en om die reden een plek in de hemel verdienen, maar ze zijn zeldzaam, dat besef ik goed, als ik over de lange gangen naar buiten loop. De eerste deur gaat open, dan, als de eerste deur weer dicht is, de tweede; de oudjes mogen geen kou vatten, in de tocht; als ze door zo'n oorzaak sterven protesteert de familie.

Buitengekomen loop ik in de zon als verdwaasd -onder invloed van iets kalmerends, lijkt het, zo'n middel wat mijn moeder zonder twijfel dagelijks in een milde injectie krijgt toegediend- naar mijn motor. Ik herinner me wat ze tegen me zei, eerder; de zon scheen pal in mijn gezicht.

'Blijf je, jongen, blijf je vannacht bij me'. Ik keek blind in de zon. 'Slapen'. Ze tuitte haar lippen en keek naar buiten. 'Maar ik ben je...ik ben uw zoon'. Ik keek haar ondanks mijn verlegenheid aan. Ze keek mij nu heel scherp aan. 'Niemand hoeft het ooit te weten, jongen. Ik ben niet zo eerlijk. Leer maar eens wat'.


 

klik > Home